boomgrens

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbomɣrɛns/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een grens in de bergen waarboven geen bomen meer groeien
    Zij was nu zo hoog gekomen dat ze onbeschut in de wind stond, ver boven de boomgrens.
    Toen ik bijna bij de boomgrens was, zag ik in de verte een hoge bergpas.

Vertalingen

Engelstree line, forest border
Franslimite des arbres
DuitsBaumgrenze
Spaanslímite de bosque
Zweedsträdgräns