boomkruin

mannelijk/vrouwelijk (de)/'bomkrœyn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het bovenste gedeelte van een boom; hij wordt gedragen door de stam en omvat de takken met daaraan de bladeren
    De zon, laag in het zuidwesten, hing precies boven de gracht, en scheen onder de boomkruinen door.
    Dus vrijdagmorgen werd de brandweer erbij gehaald, compleet met hoogwerker om naar de vogel op te stijgen en het dier uit de boomkruin te helpen. Eenmaal boven dacht de pelikaan er echter anders over. „Op het moment dat ze hem wilden pakken is ’ie gevlogen”, beschrijft ambulancechauffeur Liane Stempher. „Het was blijkbaar niet nodig.” De pelikaan vertrok richting kanaal en is niet meer teruggezien.