boomschors
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbomsxɔrs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het dode buitenste deel van de bast van een boomHoeveel boomschors zou er nou helemaal om zo'n boom heen zitten?
Vertalingen
Engelsbark
Fransécorce
DuitsBorke, Rinde
Spaanscorteza de árbol
Zweedsbark
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek