boomschors

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbomsxɔrs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het dode buitenste deel van de bast van een boom
    Hoeveel boomschors zou er nou helemaal om zo'n boom heen zitten?

Vertalingen

Engelsbark
Fransécorce
DuitsBorke, Rinde
Spaanscorteza de árbol
Zweedsbark