boomtak

mannelijk (de)/'bomtɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Deel van een boom dat ontspringt uit de stam of andere takken en eindigt voor de twijgjes waaraan de bladeren zitten.
    Groeit een slingerplant om een boomtak, dan kan die tak zo sterk worden ingesnoerd dat hij zelf een spiraalvorm krijgt.
    Bij aankomst verkende ik meteen de tuin, die op een scène uit The Hobbit leek. Eindeloos veel tentjes stonden verdekt opgesteld onder de laaghangende boomtakken.