boosdoenster
vrouwelijk (de)/'bozdunstər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- of boosdoenderHet is opvallend dat Cornelia een andere vroedvrouw, een zekere Lourensje, voor de boosdoenster hield.
Etymologie
*Samenstellende afleiding van boos en doen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek