borg
mannelijk (de)/bɔrx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (financieel) iemand die garant staat voor een eventueel te betalen bedrag, de borgstellerHij was bereid als borg op te treden.
- (financieel) borgsom, borgtocht, waarborgsom, cautie, onderpandAls je het huurhuis weer in de originele staat aflevert krijg je de borg terug.
- (dierkunde) een gecastreerd mannetjesvarken
- (techniek) ketting of touw om iets mee vast te zetten, of een daarvoor bedoeld machineonderdeel
Etymologie
* In de betekenis van ‘waarborg’ voor het eerst aangetroffen in 1237
Vertalingen
Engelssurety, bond
Franscaution, caution
DuitsBürge, Kaution, Borg
Spaansfiador, fianza
Italiaansfideiussore, cauzione
Portugeesfiança
Russischпоручитель
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek