borstel
mannelijk (de)/ˈbɔrstəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een gebruiksvoorwerp bestaande uit een bundel of bundels haren of vezels die in een houder of aan een blad van hout of een andere stof zijn vastgehechtKun je me die borstel even aanreiken?
- (huishouden) grove kwast of op een bezem gelijkend gereedschap
- (België) verfkwast
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands borstel, burstel ‘stekelhaar van een varken of wild zwijn’, ontwikkeld uit Oergermaans *burstila-, verkleinwoord bij *burstiz ‘stekelhaar’, bij Indo-Europees *bʰr̥s-tí-s, afleiding van *bʰers- ‘spits’, waartoe ook Oudiers barr ‘haarlok, punt’, Latijn fastīgium ‘top’, Russisch boršč ‘berenklauw’ en Sanskrit bhṛṣṭí- ‘punt’ behoren. Evenals Fries boarstel ‘stekelhaar’ en Engels bristle ‘varkens-, borstelhaar’; daarnaast zonder verkleinings-l Nederduits Börst ‘borstel’, Duits Bürste ‘borstel, schuier’ en IJslands burst ‘varkenshaar’.
Vertalingen
Engelsbrush
Fransbrosse
DuitsBürste
Spaansbrocha, cepillo, cerdas
Italiaansspazzola
Portugeesescova
Russischщётка
Arabischفُرْشَاة
Turksfırça
Poolsszczotka
Zweedsborste
Deensbørste
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek