bosgrond

mannelijk (de)/'bɔsxrɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de bodem van een bos
    Prachtig, die gebalde kracht, die massa van schouders en nek, die haren dik en stug als een straatbezem. En die slagtanden, die het spaarzame licht van de nacht blikkerend opvingen en die je met één beweging konden openrijten. Eén schot en het was afgelopen. Geveld, al die kracht en levensdrift. Nu nog kon ik de krijsende rotten horen en hun zware gang waarvan de bosgrond dreunde. {{Aut| Bok, Pauline de
  2. grond waarop een bos staat
    Stom. Ze had het zelf ook kunnen bedenken, bedacht Chantal. De manier waarop Tamara had gesproken over Pierre Filloux' jachtterrein, gedetailleerd tot op het aantal ontbrekende hectares bosgrond aan toe. {{Aut|Berg, Michael
    De zoektocht naar rendement in tijden van lage rente brengt investeerders naar de rijke Zweedse bosgronden. Voor recreatief gebruik, maar ook voor houtkap. En die is lang niet altijd duurzaam. de Standaard WOENSDAG 13 SEPTEMBER 2017

Vertalingen

Engelsforest floor, woodland