boshut

mannelijk/vrouwelijk (de)/'bɔshʏt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een hutje in het bos
    Zelfs de slaap is hierbuiten anders, scherper, zuiverder, of je nu in de boshut ligt of in een van de takkenhutjes die hij meestal zomaar ergens in elkaar zet. Alsof de nachtelijke hemel door hem heen stroomt, denkt hij weleens. {{Aut|Knausgard, Ove
    Er is uit die begintijd een kleurenfoto bewaard gebleven: de beide heren voor de bouwvallige boshut. Ze kijken trots en uitdagend in de camera, dik ingepakt tegen de winterkou, ieder met een vermiljoenrode sjaal om de nek, en stralen uit: wij gaan het máken in volkstuincomplex Werensloot. {{Aut| Valens, Anton
    In een poel onder de bomen zweven zilverkarpers loom door hun onderwaterwereld. Ik lunch in een theehuis onderweg, een soort boshut. Vanuit het raam zie ik de rode poorten, die als vanzelf het stapritme van de pelgrims bepalen. de Standaard ZATERDAG 28 OKTOBER 2017