Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
boskoekoek
mannelijk (de)/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (koekoeksvogels) een koekoeksoort die parasiteert op zangvogels in een groot gebied dat reikt van Rusland tot Japan. 's Winters trekken deze vogels naar het zuiden van Azië en verblijven in de Indische Archipel en Australië
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek