bourdon
mannelijk (de)/bur'dɔn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) noot van dezelfde (lage) toonhoogte die het hele muziekstuk aangehouden wordt
- (muziek) pijp van een doedelzak die als functie heeft 1) te producerenDeze doedelzak heeft een speelpijp en twee bourdons in kwinten gestemd.
- (muziek) laag orgelregister
- (muziek) zware luidklok
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘diepe bas’ voor het eerst aangetroffen in 1795
Vertalingen
Fransbourdon
Spaansbordón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek