bouw
mannelijk (de)/bɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.Er was de keer dat hij te veel 'pannenbier' had gedronken - de drank die we traditioneel aanbieden aan onze medewerkers en opdrachtgevers als we bij de bouw het hoogste punt hebben bereikt - en hij tegenover een groepje al even bezopen collega's met zijn geslachtsdeel begon te zwaaien.
- het bouwbedrijf; alle bedrijvigheid die gericht is op het (ver)bouwen van gebouwenHij is in de bouw gaan werken.Een glamourcover met twee opgedirkte vrouwen die in de bouw werken en women's empowerment proclameren dan vraag je erom.Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.
- het bouwterreinHet is ten strengste verboden op de bouw zonder helm aanwezig te zijn.
- de wijze waarop iets gebouwd is, bouwwijzeDeze kerk heeft een schitterende bouw.
- de aanbouw, het telen (van gewassen)bouw van koren en vlasG. Bruining, [https://books.google.nl/books?id=YExQAAAAcAAJ&pg=PA457&lpg=PA457&dq=%22bouw+van+koren%22&source=bl&ots=AaSzSd08CF&sig=MV2oyoa30SUTouR9v4kSg20Y37g&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjk-IGFtpPZAhWJL1AKHfrVCVAQ6AEILjAAv=onepage&q=%22bouw%20van%20koren%22&f=false Algemeen aardrijkskundig woordenboek: naar de nieuwste berigten en land-verdeelingen, Volume 3], 1822
- exploitatie
Etymologie
*Van de stam van het werkwoord bouwen
Vertalingen
Engelsconstruction, culture
Spaansconstrucción, cultivo, cultura
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek