bouw

mannelijk (de)/bɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.
    De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.
    Er was de keer dat hij te veel 'pannenbier' had gedronken - de drank die we traditioneel aanbieden aan onze medewerkers en opdrachtgevers als we bij de bouw het hoogste punt hebben bereikt - en hij tegenover een groepje al even bezopen collega's met zijn geslachtsdeel begon te zwaaien.
  2. het bouwbedrijf; alle bedrijvigheid die gericht is op het (ver)bouwen van gebouwen
    Hij is in de bouw gaan werken.
    Een glamourcover met twee opgedirkte vrouwen die in de bouw werken en women's empowerment proclameren dan vraag je erom.
    Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.
  3. het bouwterrein
    Het is ten strengste verboden op de bouw zonder helm aanwezig te zijn.
  4. de wijze waarop iets gebouwd is, bouwwijze
    Deze kerk heeft een schitterende bouw.
  5. de aanbouw, het telen (van gewassen)
    bouw van koren en vlasG. Bruining, [https://books.google.nl/books?id=YExQAAAAcAAJ&pg=PA457&lpg=PA457&dq=%22bouw+van+koren%22&source=bl&ots=AaSzSd08CF&sig=MV2oyoa30SUTouR9v4kSg20Y37g&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjk-IGFtpPZAhWJL1AKHfrVCVAQ6AEILjAAv=onepage&q=%22bouw%20van%20koren%22&f=false Algemeen aardrijkskundig woordenboek: naar de nieuwste berigten en land-verdeelingen, Volume 3], 1822
  6. exploitatie

Etymologie

*Van de stam van het werkwoord bouwen

Vertalingen

Engelsconstruction, culture
Spaansconstrucción, cultivo, cultura