bouw
mannelijk (de)/bɑu/
Wat is de betekenis van bouw?
bouw betekent: het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.
- het bouwbedrijf; alle bedrijvigheid die gericht is op het (ver)bouwen van gebouwen
- het bouwterrein
- de wijze waarop iets gebouwd is, bouwwijze
- de aanbouw, het telen (van gewassen)
- exploitatie
Voorbeelden van "bouw" in een zin
- De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.
- Er was de keer dat hij te veel 'pannenbier' had gedronken - de drank die we traditioneel aanbieden aan onze medewerkers en opdrachtgevers als we bij de bouw het hoogste punt hebben bereikt - en hij tegenover een groepje al even bezopen collega's met zijn geslachtsdeel begon te zwaaien.
- Hij is in de bouw gaan werken.
- Een glamourcover met twee opgedirkte vrouwen die in de bouw werken en women's empowerment proclameren dan vraag je erom.
- Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.
Etymologie
*Van de stam van het werkwoord bouwen
Vertalingen
Engelsconstruction, culture
Spaansconstrucción, cultivo, cultura
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek