bouw

mannelijk (de)/bɑu/

Wat is de betekenis van bouw?

bouw betekent: het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.
  2. het bouwbedrijf; alle bedrijvigheid die gericht is op het (ver)bouwen van gebouwen
  3. het bouwterrein
  4. de wijze waarop iets gebouwd is, bouwwijze
  5. de aanbouw, het telen (van gewassen)
  6. exploitatie

Voorbeelden van "bouw" in een zin

  • De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.
  • Er was de keer dat hij te veel 'pannenbier' had gedronken - de drank die we traditioneel aanbieden aan onze medewerkers en opdrachtgevers als we bij de bouw het hoogste punt hebben bereikt - en hij tegenover een groepje al even bezopen collega's met zijn geslachtsdeel begon te zwaaien.
  • Hij is in de bouw gaan werken.
  • Een glamourcover met twee opgedirkte vrouwen die in de bouw werken en women's empowerment proclameren dan vraag je erom.
  • Hij had jaarlijks niet meer dan 800 euro aan vaste lasten en rommelde wat aan in de bouw.

Etymologie

*Van de stam van het werkwoord bouwen

Vertalingen

Engelsconstruction, culture
Spaansconstrucción, cultivo, cultura