box

mannelijk (de)/bɔks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een doos
    Toen ik de restanten van het eten dat Josh had achtergelaten, in de hiker box deed, haalde ik er een boek uit dat iemand had achter gelaten.
  2. met name een kast met een of meer luidsprekers, een geluidsbox of luidsprekerbox
    De boxen stonden nog op een hard volume.
    Uit de boxen schalde 'Ik heb hier een brief voor mijn moeder.'
  3. een, vaak van hout gemaakt, min of meer vierkant meubelstuk omlijst door spijlen met een leuning erop waarin een baby of peuter veilig aanwezig kan zijn, een babybox
  4. deel van een grotere stal waarin één paard kan staan
  5. een berging horend bij één appartement van een appartementencomplex
  6. een van de drie categorieën van de inkomstenbelasting
    In box 1 zitten de inkomsten uit loon, in Box 2 inkomsten uit een bedrijf en in Box 3 inkomsten uit vermogen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘afgescheiden ruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1857