braaksel

onzijdig (het)/ˈbraksəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dat wat is uitgekotst
    Na het wilde studentenfeest stonk het hele huis naar bier en braaksel.
    Om haar heen lag braaksel, de achterkant van haar nachtjapon was bevuild.

Etymologie

*, van braken

Vertalingen

Engelsvomit