brandblusapparatuur

vrouwelijk (de)/'brɑndblʏsɑparatyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestel waarmee men een brand kan blussen
    Met de brandblusapparatuur van de kustwacht werd zout water opgepompt en naar het brandende huis gespoten, maar het was natuurlijk al te laat.
    Brandblusapparatuur en waterleidingen moeten straks beter bestand zijn tegen aardbevingen. Het mobiele noodaggregaat wordt op een hogere plaats neergezet, zodat de stroomvoorziening bij een overstroming niet in gevaar komt.