branden
/xxxx/
Wat is de betekenis van branden?
branden betekent: (absol) verteerd worden door vuur
Betekenis
werkwoord
- (absol) verteerd worden door vuur
- (ov) (kookkunst) langzaam aan vuur blootstellen (van cacao- en koffiebonen, noten, e.d.)
- (ov) als brandstof gebruiken
- verwonding door hoge temperatuur
- aan zijn van een licht (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
- een nieuwe CD of DVD maken
- heel warm aanvoelen
- heel urgent aanvoelen
zelfstandig naamwoord
- (steeltjeszwammen) een klasse binnen het rijk van de schimmels (), behorend tot de stam van . Alle soorten parasiteren op planten die tot de bedektzadigen behoren. Bepaalde typen branden zijn van grote economische waarde. Branden vormen enorme hoeveelheden teleutosporen, die vaak zwart en stofachtig zijn. De Ustilaginomycetes zijn dimorf, afwisselend gistachtig en myceliumvormend
Voorbeelden van "branden" in een zin
- De kaars brandde de hele nacht
- Hij kwam overeind met de uitnodigingen in zijn hand, liep naar het haardvuur en legde ze keurig boven op het brandende blok berkenhout.
- De koffie werd er vrij licht gebrand.
- De olie die daar gebrand wordt, stinkt.
- Hij heeft zijn handen gebrand.
Etymologie
* Middel-Nederlands barnen of bernen
Uitdrukkingen
- ogen voelen branden — voelen dat men wordt aangestaard
- branden in de hel — streng gestraft worden
- Branden als een fakkel — Zeer fel branden
- Branden als een lier — Een heel erg hevige brand
- Bang zijn zich aan koud water te branden — Erg voorzichtig zijn
- Ergens op gebrand zijn — Iets heel erg fijn vinden en ernaar streven
- Zich ergens aan branden/Zijn vingers branden — Zich ergens mee bemoeien en daardoor zelf in moeilijkheden komen
Vertalingen
Engelsburn, roast, torrefy
Fransbrûler, torréfier
Duitsverbrennen, rösten
Spaansquemar, arder, tostar
Portugeestorrefazer
Poolspalić
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek