broeder

mannelijk (de)/brudər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. formeel (formeel) een broer
  2. een medemens of naaste
    Chinese boter óf Amerikaanse wapens: Vietnam, kies maar! Chinese commentatoren en de staatsmedia maken er geen geheim van dat China onaangenaam verrast is door de „onvoorzien snelle opwarming” van de banden tussen de communistische broeder Vietnam en de Verenigde Staten.Oscar GarschagenMelle & Garschagen NRC 2 juni 2016
  3. een kloosterling die geen priester is of die daarvoor wordt opgeleid
    C. beweert dat hij een seksuele afwijking heeft overgehouden doordat hij op 12-jarige leeftijd door een broeder misbruikt zou zijn in een katholiek jongensinternaat te Amersfoort. Casper van der Veen NRC 11 maart 2016
  4. een lid van een christelijke gemeente
    Het is vandaag feest bij Pinkstergemeente De Banier in Deventer, een blije kerk met nog geen vijftig leden. We hebben twaalf dopelingen, vertelt voorganger Ronald Tan. Elf Iraniërs en een Afghaan. „Ze zijn allemaal de smalle weg van Jezus opgegaan”, straalt hij, een gitaar langs zijn middel. Sommigen deden dat al voor hun vlucht naar Nederland, anderen in Deventer. „Dankzij broeder Ismaël, onze engel.”Wubby Luyendijk NRC 2 mei 2016
  5. een verpleger
  6. een mens of dier dat (uit)broedt
  7. verouderd (verouderd) soort oliebol: baksel van meel, melk, stroop en vaak nog andere zoetigheden met een bruine korst gebakken of in een zak gekookt

Etymologie

*Komt uit het Germaans, vergelijk het Limburgse broder en Engels brother.

Uitdrukkingen

  • een zwakke broedereen minder getalenteerd iemand uit een groep

Vertalingen

Engelsbrother, sibling, nurse
Spaanshermano, hermano
Deensbroder, munk, broder