broekzak
mannelijk (de)/ˈbruksɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) zak in een broek, meestal aan een van de zijkantenHij had zijn portemonnee in zijn broekzak.Ik greep in mijn broekzak en duwde mijn sleutels in de hand van Solange.Mijn hand gaat naar mijn broekzak en grijpt het wapen.
Uitdrukkingen
- Kennen als zijn broekzak. — *Heel goed kennen
Vertalingen
Engelspocket, trouser pocket
DuitsHosentasche
Spaansbolsillo del pantalón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek