bromfiets

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbrɔmfits/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) lichte motorfiets met een cilinderinhoud van maximaal 50 cc
    Mijn glazenwasser vertelt me dat hij gelovig is. Hij zegt: „Ik had twee bromfietsen, die zijn binnen een week allebei gestolen. Maar ja, de een had iets met de remmen en de andere lekte benzine. Dan moet er toch iemand daarboven zijn die zegt, laat een ander maar een ongeluk krijgen. Snap je wat ik bedoel?”Rob Janssen NRC 1 februari 2016

Etymologie

* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘fiets met motor’ voor het eerst aangetroffen in 1950

Vertalingen

Engelsmoped
Fransmobylette, mob
DuitsMoped, Mofa
Spaansciclomotor
Italiaansciclomotore
Japansモペッド
Poolscyclomotor, motorower, moped
Zweedsmoped
Deensknallert