bruiloft

mannelijk/vrouwelijk (de)/'brœylɔft/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. feestelijke gelegenheid waarbij twee personen in de echt verenigd worden
    De uitgever van het Duitse boulevardblad Bild zei ooit: ‘Als je met ons in de lift omhoog gaat, ga je ook mee met de lift naar beneden.’ Zo werkt dat in ons vak: we zijn op je bruiloft, maar ook op je begrafenis. Als je bekend wordt, dan weet je: het hoort er gewoon bij. Dus werk je er gewoon een beetje aan mee.”Wilfred Takken NRC 10 juni 2016
    Ik bleef nog een tijdje languit in het gras liggen om de tekst die ze mij had voorgelezen tot me door te laten dringen. Ik had het hoofdstuk over het huwelijk uit De profeet al vaker gehoord tijdens bruiloften, voorgelezen door een trotse oom of vader.
    Toen hij hem verbaasd omhooghield veranderde de stemming snel, de anderen lachten, klapten in hun handen en feliciteerden hem met de bruiloft binnen een jaar.
  2. gedenkfeest van een huwelijk

Etymologie

* Middelnederlands bruudlocht, brūlocht, brūloft, samenstelling uit bruut ‘bruid’ en -locht ~ -loft ‘loop’, ontwikkeld uit Oergermaans *hlauf-ti-, ouder *hlaup-ti-, abstractum bij het werkwoord *hlaupan- ‘lopen, dansen, rennen’; verder zie bruid, lopen. Evenals Nederduits Bruutlacht, -lecht ‘bruidsstoet’, Duits (verouderd en regionaal) Brautlauf en Fries brulloft; daarnaast staan Oudengels brȳdhlop en Oudnoords brúðhlaup, bruðlaup, brullaup, beide met *hlaupa- ‘loop’.

Vertalingen

Engelswedding reception
Fransfestin de mariage
DuitsHochzeitsfeier, Hochzeitsfest
Spaansboda
Poolswesele
Zweedsbröllopsfest
Deensbryllupsfest