budget
onzijdig (het)/bʏdˈʒɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (financieel) raming van inkomsten en uitgaven
- (financieel) hoeveelheid (geld)middelen die men voor iets kan of wil gebruikenHet arme gezin moest leven met een krap budget.Thru-hikers leven in de maatschappij – off-trail – vaak op een strak budget, verdienen geld met seizoenswerk of worden zelfstandig ondernemer.
- (financieel) hoeveelheid (geld)middelen die voor iets is gebruiktHoeveel is het budget van deze filmproductie.Het digitale aanvraagloket ging vrijdag rond 10.00 uur open. De animo was zeer groot, waardoor wachttijden ontstonden. Kort na 12.00 uur was er al geen budget meer te krijgen, terwijl er nog wel mensen in de wachtrij stonden.
Etymologie
*via """ of direct van """, in de betekenis van ‘begroting’ aangetroffen vanaf 1816
Vertalingen
Engelsbudget
Fransbudget
Spaanspresupuesto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek