buik
mannelijk (de)/bœyk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst isMijn dochter heeft de laatste tijd soms pijn in haar buik.Het was een mengeling van heimwee en schuldgevoel en veroorzaakte een onaangename knoop in mijn buik.Met barstensvolle buikjes hervatten ze hun spelletjes.
- (anatomie), (pregnant) buik die dikker is dan normaal, corpulente buikEen buik krijgen.
- (natuurkunde) plaats waar een golf- of trillingsbeweging de grootste uitwijking vertoont
Etymologie
* In de betekenis van ‘middendeel van lichaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Uitdrukkingen
- twee handen op één buik
- Baas in eigen buik zijn — Zelf bepalen wat je eet /Als vrouw zelfstandig mogen beslissen over zwangerschap en abortus
- De ogen zijn groter dan de buik (of: maag/mond) — Gezegd van iemand die meer eten op zijn bord schept dan hij vervolgens opeet
- Er de buik vol van hebben — Ergens meer dan genoeg van hebben, het helemaal zat zijn
- Het varken is door de buik gestoken — Het probleem is op krachtdadige wijze verholpen/ Het is doorgestoken kaart, van tevoren opgezet spel
- Het zijn twee handen op één buik — Zij zijn het altijd met elkaar eens (meestal in ongunstige zin)
- Schrijf dat maar op je buik — Vergeet dat maar
Vertalingen
Engelsbelly
Fransventre
DuitsBauch
Spaansbarriga, panza, vientre
Italiaanspancia
Portugeesbarriga
Turkskarın
Poolsbrzuch
Zweedsmage
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek