buitenlui

/ˈbœytə(n)ˌlœy/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verzamelterm voor mensen die niet in de stad wonen
    Veel geld verdienen is allang niet meer een typische Shanghaise karaktertrek, maar feit is dat Shanghaise stadsmensen zich verheven voelen boven de ‘waidiren’, de ‘boeren’ van buiten. Shanghaise mannen zijn in de ogen van de buitenlui ‘watjes’, omdat zij koken en de afwas doen.
    Maar lui die buiten wonen zitten met fruit. Wat te doen met al die pruimen van de boom achter het huis? De peren, de appels, de bessen en druiven? Jam van maken. (…) Er wordt onder buitenlui enorm met potjes jam geschoven.

Etymologie

*van Middelnederlands "buitenluden", op te vatten als

Uitdrukkingen

  • boeren, burgers en buitenlui