buks
mannelijk/vrouwelijk (de)/bʏks/
Wat is de betekenis van buks?
buks betekent: zwaar soort geweer
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zwaar soort geweer
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor bomen uit het geslacht uit de buxusfamilie
Voorbeelden van "buks" in een zin
- In de schietsport wordt nog wel met buksen geschoten.
- Van zijn spaargeld kocht hij een 6-mm buks en achter de stallen oefende hij eindeloos om scherp te leren schieten.
- Tijdens het feest nemen schutterijen het tegen elkaar op in marcheren, met muziek en het schieten met een lange buks op een houten vogel op een paal.
Etymologie
*[B] via Middelnederlands """ en Oudnederlands """ van Latijn "buxus", in de betekenis van ‘buksboom, heester’ als deel van een plaatsnaam aangetroffen vanaf 856 en plantennaam vanaf 1350
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek