buks

mannelijk/vrouwelijk (de)/bʏks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zwaar soort geweer
    In de schietsport wordt nog wel met buksen geschoten.
    Van zijn spaargeld kocht hij een 6-mm buks en achter de stallen oefende hij eindeloos om scherp te leren schieten.
    Tijdens het feest nemen schutterijen het tegen elkaar op in marcheren, met muziek en het schieten met een lange buks op een houten vogel op een paal.
zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor bomen uit het geslacht uit de buxusfamilie

Etymologie

*[B] via Middelnederlands """ en Oudnederlands """ van Latijn "buxus", in de betekenis van ‘buksboom, heester’ als deel van een plaatsnaam aangetroffen vanaf 856 en plantennaam vanaf 1350