bul

/bʏl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) mannelijk rund en het mannetje van sommige andere zoogdieren en zeezoogdieren
zelfstandig naamwoord
  1. oorkonde bij het behalen van een academische graad
  2. pauselijke oorkonde
zelfstandig naamwoord
  1. achtste maand van het jaar, in oktober-november; oude benaming, later marchesjvan (1 Kon. 6:38)

Etymologie

*[C] Herkomst: Hebreeuws (gangbare Nederlandse versie), letterlijk: 'opbrengst'

Vertalingen

Engelsbull, degree certificate, bull
Franstaureau, diplôme, bulle
DuitsBulle, Diplom, Bulle
Spaanstoro, diploma, bula
Italiaanstoro
Portugeestouro, toiro
Russischбык, диплом, булла