bult

mannelijk (de)/bʏlt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een uitstulping op de huid
    Nadat hij gevallen was op zijn hoofd, was er een grote bult ontstaan.
  2. een uitstulping in het landschap
    In Nederland wordt iedere bult in het landschap al snel een berg genoemd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bobbel, bochel’ voor het eerst aangetroffen in 1287

Uitdrukkingen

  • eigen schuld, dikke bult
  • eigen schuld, dikke bultje bent zelf verantwoordelijk voor je eigen fouten
  • Met bed en bultmet alles wat men bijeen kan pakken op reis gaan

Vertalingen

Engelsbump, hump
Spaansborbotón, bulto, corcova