bult
mannelijk (de)/bʏlt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een uitstulping op de huidNadat hij gevallen was op zijn hoofd, was er een grote bult ontstaan.
- een uitstulping in het landschapIn Nederland wordt iedere bult in het landschap al snel een berg genoemd.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bobbel, bochel’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Uitdrukkingen
- eigen schuld, dikke bult
- eigen schuld, dikke bult — je bent zelf verantwoordelijk voor je eigen fouten
- Met bed en bult — met alles wat men bijeen kan pakken op reis gaan
Vertalingen
Engelsbump, hump
Spaansborbotón, bulto, corcova
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek