bunzing

mannelijk (de)/'bʏnzɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) kleine behendige marterachtige, , die als afweer een sterke stank kan verspreiden
    De bunzing gaat bij de jacht vooral op zijn neus en oren af.

Etymologie

*Middelnederlands "bonsinc", bunsinc(k), afleiding bij *buns ‘schuur’, nevenvorm van boes; zie aldaar.

Uitdrukkingen

  • stinken als een bunzing

Vertalingen

Engelspolecat
Fransputois
DuitsIltis
Spaansturón
Italiaanspuzzola
Portugeestourão
Zweedsiller
Deensilder