burgerstand

mannelijk (de)/'bʏrɣərstɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de klasse van de burgers (boven de boerenstand maar lager in rang dan de adel of de geestelijkheid)
    De lof van het landleven, een steeds terugkerend thema in het werk van Horatius, wordt bezongen in de tweede Epode: „Gelukkig is de man die ver van het zakenleven,/ zoals de mensen van weleer,/ de akkers zijner vaderen met eigen ossen afbeult,/ van elke schuldenlast verlost,/ en niet op veldtocht ruw ontwaakt door een trompet/ noch huivert voor een boze zee,/ het Forum weet te mijden en de trotse drempels/ van de voorname burgerstand.” Reformatorisch Dagblad Gert-Jan Oosterom 17-03-2004 [https://www.rd.nl/boeken/dichter-van-de-gulden-middenweg-1.208164 Dichter van de gulden middenweg]
    Dat is veel voor een roman waarin maar net genoeg gebeurt om een fikse novelle te rechtvaardigen. Want wat overkomt de gefortuneerde Kemal nu helemaal? Hij verlooft zich met een aantrekkelijk meisje uit zijn eigen kring, de gegoede en verwesterste burgerstand van Istanbul. Maar kort daarvoor heeft hij de achttienjarige Füsun leren kennen en van haar is hij helemaal hoteldebotel. Twee relaties tegelijk, dat gaat niet – maar wanneer Kemal zijn verloving verbreekt, blijkt Füsun inmiddels gevlogen. NRC Ger Groot 11 september 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/09/11/smachten-naar-wat-niet-bestaat-11781180-a32792 Smachten naar wat niet bestaat]