buskaart
Wat is de betekenis van buskaart?
buskaart betekent: vervoersbewijs voor een lijnbus
Betekenis
- vervoersbewijs voor een lijnbus
- landkaart waarop de buslijnen staan
Voorbeelden van "buskaart" in een zin
- Een goed geplande huishouding begint met een maandbegroting. De planner vermeldt daarop al zijn maandelijkse inkomsten, zoals salaris, alimentatie, rente, kinderbijslag of belastingteruggaves. Daar tegenover inventariseert hij de drie soorten maandelijkse kosten die het Nibud onderscheidt: vaste lasten, zoals huur, hypotheek, telefoon en de energierekening, huishoudelijke uitgaven zoals boodschappen en zakgeld, en tenslotte reserveringen voor toekomstige grote uitgaven als inventaris, vakantie of kleding. “Vooral huishoudelijke uitgaven zijn ondoorzichtig”, zegt Van Dam. De dagelijkse boodschappen vallen eronder, maar ook een buskaart, een bloemetje, cadeautje, of iets lekkers voor in de trein. NRC Erica Verdegaal 12 oktober 1996
Veelgestelde vragen over buskaart
Wat is de betekenis van buskaart?
buskaart betekent: vervoersbewijs voor een lijnbus
Hoeveel betekenissen heeft buskaart?
buskaart heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft buskaart?
buskaart is een mannelijk/vrouwelijk (de).
Wat zijn synoniemen van buskaart?
Synoniemen van buskaart zijn: busticket.
Hoe gebruik je buskaart in een zin?
Voorbeeld: “Een goed geplande huishouding begint met een maandbegroting. De planner vermeldt daarop al zijn maandelijkse inkomsten, zoals salaris, alimentatie, rente, kinderbijslag of belastingteruggaves. Daar tegenover inventariseert hij de drie soorten maandelijkse kosten die het Nibud onderscheidt: vaste lasten, zoals huur, hypotheek, telefoon en de energierekening, huishoudelijke uitgaven zoals boodschappen en zakgeld, en tenslotte reserveringen voor toekomstige grote uitgaven als inventaris, vakantie of kleding. “Vooral huishoudelijke uitgaven zijn ondoorzichtig”, zegt Van Dam. De dagelijkse boodschappen vallen eronder, maar ook een buskaart, een bloemetje, cadeautje, of iets lekkers voor in de trein. NRC Erica Verdegaal 12 oktober 1996”