buxus

mannelijk (de)/ˈbʏksʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor struiken en heesters uit het geslacht in de buxusfamilie (Buxaceae)
    Heggen van buxus kunnen door zorgvuldig snoeien allerlei vormen gegeven worden.

Etymologie

*via Middelnederlands """ van Latijn """

Vertalingen

Engelsbox-tree
Fransbuis
Spaansboj