caddie

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɛdi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport, beroep (sport) (beroep) (golf) iemand die de clubs draagt en soms ook raad kan geven aan de speler
    Een caddie moet volgens hem over een goed karakter beschikken, fit zijn en uiteraard kennis van golf hebben.
    In de uitzending van het programma gaan er allerlei dingen mis tijdens een golfsessie, waarbij Maradona flink in het ootje wordt genomen. De Argentijn kan er niet om lachen, met een vedette valt immers niet te sollen. Hij rijdt boos weg in een caddie.
  2. rolwagentje voor boodschappen
    Na een tip van een alerte burger heeft een patrouille van de lokale politie op de Bruul in Mechelen een winkeldief kunnen vatten. Hij wandelde rond met een caddie waarin een groot aantal gestolen kledingstukken zaten.
    Welke Nederlander verstaat de zin: „Abigail laadt haar caddie vol met brikken melk en brol”? Volgens mijn Nederlandse corrector: geen enkele. En dus laadt Abigail nu haar rolwagentje vol met kartonnen melk en rommel.

Etymologie

**[1] in de betekenis van ‘drager van golfsticks’ aangetroffen vanaf 1917

Vertalingen

Spaanscaddy