cake

mannelijk (de)/kek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) lichte, zachte koek gemaakt van een beslag van bloem, boter, eieren en suiker, in gelijke hoeveelheden, met een rijsmiddel
    We kregen cake bij de koffie.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘zachte koek’ voor het eerst aangetroffen in 1761

Vertalingen

Engelscake
Spaansbizcocho, bizcochuelo, cake