canon

/ˈkanɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziek (muziek) de strengste vorm van een meerstemmige compositie, waarin de stemmen elkaar in de tijd verschoven imiteren
    De bekendste canon is waarschijnlijk "Vader Jacob".
  2. het geheel van belangrijke personen, teksten, kunstwerken, voorwerpen, verschijnselen en processen voor een bepaalde tijdsperiode en/of gebied
    De literaire canon van de 20e eeuw.
    De Canon van Nederland is een lijst van vijftig thema's ("vensters" genoemd) die chronologisch een samenvatting geeft van de geschiedenis van Nederland
  3. overeengekomen standaardinhoud, bijvoorbeeld van de Bijbel
    De canon van het Oude Testament.

Etymologie

*Van Grieks kanoon (liniaal, regel, richtsnoer). Op zijn beurt van Grieks kanna (riet). Verwant met Hebreeuws qane (riet) en Arabisch qanah (riet).

Vertalingen

Engelsround
Franscanon
DuitsKanon
Spaanscanon
Italiaanscanone
Poolskanon