capaciteit

vrouwelijk (de)/ˌkapasiˈtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mogelijkheid om iets te bevatten, hoeveelheid ruimte die voor een bepaald doel gevuld kan worden
    Het plaatselijke ziekenhuis heeft onvoldoende capaciteit om een ramp van deze omvang te kunnen verwerken.
    Zij laten zien dat schulden het denken gaan beheersen - ze leggen beslag op je mentale capaciteit.Folkert Jensma NRC 4 juni 2016
  2. aanwezigheid van persoonlijke eigenschappen die vereist zijn voor bepaalde activiteiten
    Hij heeft niet de capaciteit om naar de universiteit te gaan.
    'Je onderschat je eigen capaciteiten, de specifieke kwaliteiten van het individu.
  3. natuurkunde (natuurkunde) opslagvermogen voor bepaalde vormen van energie
    Vorige week ging het op deze plek over het fenomeen accudegradatie. Dat wil zeggen de capaciteit van het accupakket van een elektrische auto na verloop van tijd minder wordt, met een kleiner rijbereik als gevolg.

Etymologie

*van capacité (), in de betekenis van ‘bekwaamheid’ aangetroffen vanaf 1728

Vertalingen

Engelscapacity
Franscapacité
DuitsKapazität
Spaanscapacidad, capacidad, inteligencia
Italiaanscapacità
Portugeescapacidade
Turkskapasite
Poolspojemność