capsule

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑpˈsylə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. omhulsel bij de opening (de mond) en hals van een fles
    De capsule wordt aangebracht om de kurk te beschermen tegen vervuiling en insecten.
  2. een omhulsel, veelal van gelatine met een medicijn erin
    Een capsule slikt men in met een grote slok water.
    Ze draaide de deksel van het potje en pakte er een crèmekleurige capsule uit.
    Terwijl zij hier in het halfdonker naar capsules zat te staren, trokken de donkere depressies langzamerhand uit haar geest weg.
  3. ruimtevaartuig dat personen dan wel materieel bevat
    De capsule zat afgeladen vol.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(geneesmiddelen)omhulsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824

Vertalingen

Engelscapsule
Fransgélule
DuitsKapsel
Spaanscápsula