caravan
mannelijk (de)/ˈkɛrəˌvɛn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kampeerwagen, woonwagen, aanhangwagen die kan dienen als woonstDoor de windhoos raakten tien caravans te water.Er kan nog even geen caravan achter de hybride crossover Kia Niro maar verder zal de 60-plusser er blij mee zijn, Bas van Putten NRC 18 juni 2016In het woongedeelte van de caravan lagen een aantal hikers languit naar Game of Thrones te kijken.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘kampeerwagen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1940
Vertalingen
Engelscaravan
Franscaravane
DuitsWohnwagen, Caravan
Spaanscaravana
Italiaansroulotte
Zweedshusvagn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek