carnaval

onzijdig (het)/ˈkɑrnavɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. feest (feest) volksfeest waarbij onder meer grote verkleedpartijen plaatsvinden, en dat plaatsvindt gedurende de vier dagen die aan de vastentijd voorafgaan
    - Viert u eigenlijk carnaval?
    - Ik ben carnavalvrij opgevoed, in een tijd waarin er nog geen televisie was. Pas later ben ik erachter gekomen dat in deze tijd van het jaar zich van de mensen die beneden de grote rivieren wonen een ontembare vrolijkheid meester maakt. Dit weekeinde is het weer zover. Ze trekken de allervrolijkste kleren aan, zetten een vrolijk masker op of beschilderen hun gezicht, gaan de straat op, vormen een optocht en beginnen te zingen en te hossen.S. Montag NRC 6 februari 2016

Etymologie

*via "carnaval" van "carnevale" ontstaan uit middeleeuws Latijn "carne" "vlees" en "levare" "opheffen", in de betekenis van ‘drie dagen voor vasten’ voor het eerst aangetroffen in 1651Andere verklaringen zoals de Latijnse frase '"carne" "vale"' ("vlees, vaarwel") of een verbastering van '"carrus" "navalis"' "bootwagen, als deel van een optocht", worden tegenwoordig als volksetymologie beschouwd.

Vertalingen

Engelscarnival
Franscarnaval
DuitsKarneval
Spaanscarnaval
Italiaanscarnevale
Portugeescarnaval
Japans謝肉祭
Poolskarnawał
Zweedskarneval
Deenskarneval