Carneool

mannelijk (de)/kɑrne'jol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mineraal (mineraal) een vlees- tot bruinrode, doorschijnende tot ondoorzichtige chalcedoonvariëteit behorend tot de kwartsen

Etymologie

* In de betekenis van ‘vleesrode edelsteen’ voor het eerst aangetroffen in 1734

Vertalingen

Spaanscarneola