cauda

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɑuda/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) langwerpig uiteinde
  2. onderste deel van de bijbal
    Bij onderzoek bleek hij heldere urine te hebben, droge urethra en de epididymis was nagenoeg geheel normaal. Men voelde aan de cauda een kleine infiltratie.
  3. grote zenuwbundel onderaan het ruggenmerg in de onderrug
    {{ouds|1935/46
  4. onderste deel van het kraakbeen in de oorschelp
  5. smal uiteinde van de alvleesklier dat tegen de milt aanligt
    De alvleesklier heeft de vorm van een kikkervisje, het heeft een caput (kop), een corpus (lichaam) en een cauda (staart).
  6. uiteinde onderaan de staartkern in de hersenen
  7. verouderd (verouderd) onderste deel van het heiligbeen
  8. verouderd (verouderd) onderste del van de wervelkolom
  9. dichtkunst (dichtkunst) versvorm waarbij groepjes regels telkens worden afgesloten met kortere regels die weer op elkaar rijmen

Etymologie

*van Latijn "cauda"