cel

mannelijk/vrouwelijk (de)/sɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch, misdaad (juridisch), (misdaad) een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
    Gevangenen wonen meestal in kleine cellen.
    De gevangenis is groter dan ze had gedacht, en de omvang lijkt tijdens het lopen op onverklaarbare wijze toe te nemen, waardoor ze elk gevoel voor proportie verliest. De ene cel na de andere, baksteen na baksteen, ze kan het niet bevatten.
    Ze loopt met het eten op haar handpalmen door de cel en Johannes neemt het zichtbaar ontroerd van haar aan.
  2. juridisch, misdaad, metonymisch (juridisch), (misdaad), (metonymisch) de gevangenis als zodanig
    Hij moet een jaar de cel in.
  3. religie (religie) een kleine ruimte in een klooster
    In een klooster bevinden zich cellen.
  4. biologie (biologie) de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
    Iedere levensvorm heeft cellen.
    De dokter zegt dat haar geest net een honingraat is, cel na cel die kapotgaat en weer hersteld wordt.
  5. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
  6. techniek (techniek) een element van een batterij, een accu of een ander apparaat
  7. kleinste eenheid van een vertakte organisatie

Etymologie

*Afkomstig van het Latijnse cella.

Vertalingen

Engelscell, cell, cell
Franscellule, cellule, cellule
DuitsZelle
Spaanscelda, celda de castigo, cubículo
Italiaanscella, cella, cellula
Portugeescela, cela, célula
Russischкамера, келья, клетка
Japans細胞
Poolscela, cela, komórka
Zweedscell, cell, cell