cel
mannelijk/vrouwelijk (de)/sɛl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch), (misdaad) een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)Gevangenen wonen meestal in kleine cellen.De gevangenis is groter dan ze had gedacht, en de omvang lijkt tijdens het lopen op onverklaarbare wijze toe te nemen, waardoor ze elk gevoel voor proportie verliest. De ene cel na de andere, baksteen na baksteen, ze kan het niet bevatten.Ze loopt met het eten op haar handpalmen door de cel en Johannes neemt het zichtbaar ontroerd van haar aan.
- (juridisch), (misdaad), (metonymisch) de gevangenis als zodanigHij moet een jaar de cel in.
- (religie) een kleine ruimte in een kloosterIn een klooster bevinden zich cellen.
- (biologie) de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zitIedere levensvorm heeft cellen.De dokter zegt dat haar geest net een honingraat is, cel na cel die kapotgaat en weer hersteld wordt.
- een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
- (techniek) een element van een batterij, een accu of een ander apparaat
- kleinste eenheid van een vertakte organisatie
Etymologie
*Afkomstig van het Latijnse cella.
Vertalingen
Engelscell, cell, cell
Franscellule, cellule, cellule
DuitsZelle
Spaanscelda, celda de castigo, cubículo
Italiaanscella, cella, cellula
Portugeescela, cela, célula
Russischкамера, келья, клетка
Japans細胞
Poolscela, cela, komórka
Zweedscell, cell, cell
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek