Cello

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
    Mijn broer heeft vroeger op een cello gespeeld.
    Lucia Swarts laat haar cello zingen en knorren. Mayke Rademakers wijdt haar cello-album aan Spaanse en Latijns-Amerikaanse muziek.Joep Stapel NRC 5 april 2016

Etymologie

* Ontleend aan ("beïnvloed door") Duits "Cello", een verkorte vorm van Italiaans "violoncello"

Vertalingen

Engelscello
Fransvioloncelle
DuitsCello, Violoncello
Spaansvioloncelo
Poolswiolonczela