cellulose

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌsɛlyˈlozə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een polysacharide die door nagenoeg alle planten wordt gemaakt en die de plant stevigheid geeft
    Hout bestaat voornamelijk uit cellulose, lignine en hemicellulose.

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse cellula (celletje)

Vertalingen

Engelscellulose
Franscellulose
DuitsZellulose
Spaanscelulosa
Italiaanscellulosa
Portugeescelulose
Russischцеллюлоза
Chinees纤维素
Japansセルロース
Koreaans섬유소
Poolsceluloza
Zweedscellulosa
Deenscellulose