charitas

vrouwelijk (de)/ˈxariˌtɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. liefde en zorg voor de noodlijdende medemens
    Dat zegt Hein van der Loo, directeur van de afdeling Instituten en charitas van ABN Amro. Het eerste project van deze samenwerking tussen bank en kerken is de Utrechtse Domkerk.
    „Thuis in Slowakije is geen geld en geen charitas”, zegt een van de mannen. „We moeten wel iets.” Even later beweert hij met de hand op z’n hart dat’ie nooit puppies zou verkopen.

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelscharity