chirurg

mannelijk (de)/ʃi'rʏr(ə)x/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch, beroep (medisch) (beroep) een specialist die operaties verricht
    De chirurg was bij de operatie aanwezig.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘heelkundige’ voor het eerst aangetroffen in 1877

Vertalingen

Engelssurgeon
Franschirurgien
DuitsChirurg
Spaanscirujano, quirurgo
Italiaanschirurgo
Japans外科医, げかい, gekai
Poolschirurg
Zweedskirurg