christendom

onzijdig (het)/ˈkrɪstə(n)ˌdɔm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een monotheïstische godsdienst gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
    Dat religieuze wordt allang niet meer vertegenwoordigd door de kerk, het christendom is niet meer christelijk.
    Het christendom is met twee miljard gelovigen de grootste religie ter wereld.
    De ‘uitvinding van het individu’ en het moderne westerse seculiere liberalisme zijn volgens filosoof Larry Siedentop een ‘buitenechtelijk kind’ van het christendom. Zijn boek Inventing the Individual leest als een alternatief kerstverhaal. Paul Steenhuis NRC 24 december 2015
  2. de toestand christen te zijn
    Kerken worstelen met de vraag hoe zij moeten omgaan met asielzoekers die zich tot het christendom bekeren. Wubby Luyendijk Mirjam Remie 2 mei 2016
  3. het deel der wereld dat door christenen beheerst wordt
    De twee Rooms-Katholieke en Russisch-Orthodoxe Kerk horen oorspronkelijk bij elkaar. De scheiding tussen oost en west binnen het christendom dateert van 1054, het jaar van het Oosters Schisma, ook wel ‘Grote Schisma’ genoemd. In de eeuwen daarvoor raakten de twee kerken steeds meer vervreemd van elkaar. Sindsdien hebben vele pausen geprobeerd de breuk te herstellen, maar nooit kwam het tot een ontmoeting tussen de leiders.Menno Sedee NRC 12 februari 2016
    Toen het christendom zich in de eeuwen daarop door Europa verspreidde, begonnen pelgrims uit het hele continent naar de laatste rustplaats van de heilige Jakobus te lopen, waarna er vaste routes ontstonden.

Etymologie

*Afleiding van christen

Vertalingen

EngelsChristianity
Franschristianisme
DuitsChristentum
Spaanscristianismo, cristiandad
Italiaanscristianesimo
Portugeescristianismo
TurksHıristiyanlık
Poolschrześcijaństwo, chrystianizm
Zweedskristendom
Deenskristendom