ciborie

vrouwelijk (de)/si'bori/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) kelk met deksel, in de RK-eredienst, waarin de geconsacreerde hosties worden bewaard

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kelk ter bewaring van hostie’ voor het eerst aangetroffen in 1451

Vertalingen

Spaansciborio, copón