cichlide

vrouwelijk (de)/siˈklidə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor baarsachtigen uit de familie die vooral in de grote meren van Afrika voorkomen
    Stolk probeert een goed tehuis te vinden voor de vissen die hij opvangt. „We kunnen ze natuurlijk niet allemaal houden.” Tegenwoordig moeten mensen serieus betalen voor de zwaarddragers, goudvissen of cichliden die ze meenemen.
    De London Zoo roept aquariumhouders wereldwijd op om te kijken of zij een Mangarahara-cichlide hebben rondzwemmen. De dierentuin heeft een vrouwtje nodig om een fokprogramma op te zetten voor het uiterst zeldzame dier.

Etymologie

* uit het Latijn