cider
mannelijk (de)/'sidər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (drinken) vruchtenwijn uit gegist appelsap of perensapRotterdam heeft deze week iets met eten. Woensdag werd de Markthal geopend door Koningin Máxima en dit weekend vindt het ‘Rauwkost Festival’ plaats. Twintig Rotterdamse chef-koks maken gerechten, en jij kunt meekijken hoe ze dat doen. En tegen een aantrekkelijke prijs proeven of de koks ook daadwerkelijk hun reputatie waarmaken. Naast de chefs zijn er lezingen, workshops en proeverijen. Bijvoorbeeld biologische wijnen, Rotterdamse bieren, Nederlandse cider en ambachtelijke kaas. En dan is er ook nog muziek. NRC 4 oktober 2014
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘drank uit gegist vruchtensap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Vertalingen
Engelscider
Franscidre
DuitsApfelwein, Apfelmost, Apfelschaumwein
Spaanssidra, sidra de manzana
Italiaanssidro
Portugeessidra
Russischсидр
Chinees苹果酒
Japansシードル
Koreaans사과주
Arabischسيدر
Turkselma şarabı
Poolscydr, jabłecznik
Zweedscider
Deensæblevin, cider
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek