cinema

mannelijk (de)/ˈsinəˌma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bioscoop, gebouw waarin mensen in stoelen naar een film geprojecteerd op een groot scherm kunnen kijken.
    Het lang verwaarloosde Collège Néerlandais is een van slechts twee gebouwen die Dudok buiten Nederland neerzette. Het ander is de niet meer bestaande Light House Cinema in Calcutta.Bernard Hulsman Peter Vermaas 20 mei 2016 NRC
  2. film, filmkunst, in hoog tempo na elkaar geprojecteerde afbeeldingen die de suggestie van beweging reproduceren of creëren.
    Het bezit van enige voorkennis is bijna onontbeerlijk. Zo helpt het bijvoorbeeld om te weten dat die zelfingenomen oudere man op toneel, Manfred Zapatka, een icoon is in de Duitse cinema en theaterwereld, en in zijn lange carrière vele Duitse oorlogshelden en -misdadigers heeft gespeeld.Herien Wensink NRC 3 juni 2016

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bioscooptheater’ voor het eerst aangetroffen in 1914

Vertalingen

Engelscinema
Franscinéma
DuitsKino
Spaanscine