cipier

mannelijk (de)/siˈpir/

Wat is de betekenis van cipier?

cipier betekent: (beroep) iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt

Voorbeelden van "cipier" in een zin

  • Die cipier staat niet bekend om zijn zachtaardigheid.
  • The Daily Mirror ging al langs bij een gevangenis in Marseille. De boodschap van de anonieme cipier: hier wil je niet vastzitten. „Niemand spreekt Engels.”Fabian van der Poll 11 juni 2016 NRC

Betekenis en uitleg van cipier

Een cipier is een persoon die verantwoordelijk is voor de bewaking en begeleiding van gedetineerden in een gevangenis. Ze zorgen ervoor dat de regels worden nageleefd en bieden ondersteuning waar nodig, vaak in een uitdagende en soms gevaarlijke omgeving.

Het woord 'cipier' wordt vaak gebruikt in de context van de gevangenis en het strafrecht. Het verwijst naar een functie die niet alleen toezicht houdt, maar ook een belangrijke rol speelt in de rehabilitatie van gedetineerden. Cipiers moeten niet alleen sterk zijn, maar ook empathisch en communicatief vaardig, omdat ze met verschillende mensen en situaties te maken hebben.

Voorbeelden

  • De cipier leidde de groep gedetineerden naar de sportzaal voor hun dagelijkse training.
  • Tijdens de inspectie merkte de cipier op dat er iets niet klopte in de cel van een verdachte.
  • Een goede cipier weet hoe hij met conflicten tussen gedetineerden moet omgaan om escalatie te voorkomen.

Woordoorsprong

Het woord 'cipier' komt van het Franse 'cipier', dat zelf weer is afgeleid van het Latijnse 'cīpīre', wat 'bewaken' of 'bewaren' betekent.

Veelgestelde vragen over cipier

Wat is de betekenis van cipier?

cipier betekent: (beroep) iemand die gevangenen bewaakt en verzorgt

Welk woordgeslacht heeft cipier?

cipier is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van cipier?

Synoniemen van cipier zijn: gevangenbewaarder, gevangenbewaker.

Hoe gebruik je cipier in een zin?

Voorbeeld: “Die cipier staat niet bekend om zijn zachtaardigheid.

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘gevangenbewaarder’ aangetroffen vanaf 1552

Vertalingen

Engelswarden, jailer
Fransgardien de prison, geôliern, agente di custodia
DuitsGefängniswärter
Spaanscarcelero, guardián de cárcel, alcaide
Italiaansguardia carceraria
Portugeescarcereiro